| Afbeelding/foto |
 |
|
07-02-2009 - BOETESYSTEEM DOET DOCENTENBLOED KOKEN
Het is begin 2009. Het studentenblad van de hogeschool waar ik voor werk begint het nieuwe jaar goed. ‘Tentamen te laat nagekeken? Bekeuring!’, kopt de voorpagina van het januarinummer met schreeuwende letters. In navolging van twee andere universiteiten, waar dit systeem al langer draait, kiest de hogeschool ervoor om te gaan werken met een systeem waarbij academies een boete krijgen als docenten langer dan vijftien werkdagen nodig hebben voor het bekendmaken van toetsresultaten.
Volgens het hogeschoolbestuur is er sprake van een ‘symboolbeleid’. Het wil een signaal doen uitgaan naar academies en opleidingen: toetscorrectie moet meer prioriteit krijgen. Houdt een docent zich niet aan de deadline, dan krijgt zijn academie een boete van vijfduizend euro. Mijn docentenbloed begint te koken.
De keuze van een hogeschool voor een boetebeleid zendt niet alleen het signaal af dat nakijken prioriteit moet krijgen, maar wekt daarnaast ook de indruk dat docenten er bewust voor kiezen om de nakijktermijn te overschrijden. Het gaat dus uit van onwil. De praktijk is echter anders. Er is geen docent in mijn directe werkomgeving die niet zijn uiterste best doet om zijn toetscorrectie op tijd af te krijgen. De prioriteit die hieraan gegeven moet worden botst echter met vele andere: voorbereiding van nieuwe colleges, verplichte voortgangsgesprekken met studenten, bsa-vergaderingen, stagebezoeken, projecten, enzovoort. Al deze zaken, die een groot deel van de huidige onderwijspraktijk uitmaken, vallen in dezelfde periode als de afronding van tentamens.
Dat is ook mijn grootste bezwaar tegen het boetebeleid: het bestrijdt symptomen, geen oorzaken. Voor docenten is er sprake van een zware piekbelasting tijdens de afronding van een onderwijsperiode. Hoewel je soms deze piekbelasting kunt verlagen door te kiezen voor spreiding van tentamens of voor toetsvormen met een lage correctielast - zoals digitale toetsing -, kun je het merendeel van verworven kennis en vaardigheden toch pas toetsen na afloop van een lesperiode. Hierdoor onstaat in de afronding van zo’n periode steeds weer een bottleneck: grote hoeveelheden werk moeten verzet worden in een te beperkte hoeveelheid tijd.
Sancties lossen dit probleem niet op. Wat het schoolbestuur eigenlijk zou moeten doen is praten met docenten en academies: waardoor ontstaat een overschrijding van de nakijktermijn? Is in het jaarprogramma bijvoorbeeld wel voldoende rekening gehouden met correctietijd? Belangrijk daarbij is dat de termijn van vijftien werkdagen kritisch tegen het licht gehouden wordt. Houdt deze voldoende rekening met het aantal tentamens dat de docent tegelijkertijd moet corrigeren? Met de vorm van het tentamen –werkstuk, essay, dossier of multiplechoicetentamen? Met de hoeveelheid feedback die nodig is? Als docent Nederlands komt het niet zelden voor dat ik van zes klassen tegelijk dossiers moet beoordelen. Dat zijn meer dan honderdtwintig schrijfproducten van gemiddeld twintig pagina’s, keer een half uur per dossier. Dat is ruim zestig uur nakijkwerk voor alleen de schrijfvakken.
Symptoombestrijding is echter niet de enige makke van het boetesysteem. Ook de toetssteen voor het wel of niet beboeten van een academie is binnen het nieuwe beleid verre van accuraat. Anders dan in Maastricht, waar het faculteitsbestuur overlegt met de betreffende docent of vakgroep wat de oorzaak van een eventuele vertraging is, is als uitgangspunt gekozen voor een studententevredenheidsonderzoek dat jaarlijks hogeschoolbreed wordt gehouden. Scoort een academie op het punt van correctietijd slecht, dan wordt een boete van maximaal 5.000 euro opgelegd. Een administratie bijhouden is volgens het schoolbestuur ‘te veel gedoe’: het gaat immers maar om een symbolische boete?
Uit een tevredenheidsonderzoek met algemene vraagstellingen valt echter niet af te lezen of de student zijn werk wellicht te laat heeft ingeleverd. Ook vraagt het onderzoek niet naar specifieke vakken: er is dus geen mogelijkheid voor de academie om een slechte score door te spreken met specifieke vakgroepen. Een boete opleggen aan een complete academie werkt echter demotiverend voor de docent die wel op tijd zijn resultaten bekendmaakt. Bovendien is het onderzoek hoogst subjectief: studenten baseren hun mening snel op individuele gevallen en bovendien vertalen zij vijftien werkdagen al gauw naar vijftien dagen, waardoor een vertekend beeld onstaat.
Kortom: het boetesysteem is zeker een symboolbeleid, maar dan als symbool voor het nieuwe onderwijsadagium ‘de klant is koning’. De keuze is een makkelijke oplossing-uit-een-pakje om studenten (lees: klanten) tevreden te stellen en een symbolische daad te stellen. Wil een hogeschool echt komen tot een verbetering, dan moet zij de dialoog aangaan met studenten, docenten en academies, voldoende correctietijd verankeren in het jaarrooster en een solide administratie opzetten die voor beide zaken als basis kan dienen. Het huidige beleid heeft met het daadwerkelijk oplossen van een probleem weinig van doen.
Gepost door: mpaalvast op 07-02-2009 om 13:49
|
|
13-12-2008 - DE LIEFSTE JUF
Soms heb ik het afschuwelijk gehad met mijn baan. Ben ik het beu dat ik werk binnen een logge organisatie waarin het bij tijd en wijle godsonmogelijk is om iets voor elkaar te krijgen. Frustreert het me dat ik als docente Nederlands steeds meer het gevoel heb dat ik een achterhoedegevecht voer. Baal ik ervan dat ik in het weekend veertig schrijfdossiers na moet kijken.
Precies op zo’n moment, wanneer ik niets liever wil dan ‘s avonds in mijn eentje op de bank liggen – joggingbroek aan, wijntje erbij – staat er een etentje met mijn slb-klas gepland. Ook dat nog. Normaal gesproken zou ik hier enorm veel zin in hebben, maar die is vandaag even ver te zoeken. Met lood in mijn schoenen sleep ik me naar het station, sta vijftien minuten in de rij voor de pinautomaat en dan nog eens tien voor de klantenservice van de HTM voor een strippenkaart. Mijn humeur wordt er niet beter op.
Voor de Etos vlakbij de tramuitgang staat mijn klasje geanimeerd te kletsen. Mijn donderwolkhumeur ten spijt verschijnt er een brede smile op mijn gezicht. Wat bof ik toch eigenlijk dat ik de begeleider ben van studenten die de moeite nemen om op vrijdagavond met hun juf op stap te gaan. We begeven ons met het clubje richting tram – ik ben de enige die een strippenkaart tevoorschijn haalt: ineens mis ik mijn oude vertrouwde OV-jaarkaart- en binnen een kwartier stappen we binnen bij een charmant Chinees restaurant.
We nemen plaats aan een grote ronde tafel. De organisatrices van de avond, twee tweedejaarsstudentes die zich in anderhalf jaar tijd hebben ontwikkeld van middelbare scholieres tot prettige volwassenen, hebben voor iedereen een kerstmuts mèt lampjes geregeld. De mijne heeft groene kerstboompjes op de brede witte band. Met gepaste trots schuif ik het hoofddeksel over mijn oren.
Wanneer ik spiedend om me heen kijk om via een ober te regelen dat het eerste rondje op mijn rekening gaat, krijg ik een cadeautje in mijn handen gestopt. Verrast maak ik eerst de bijbehorende kaart open: een kerstgroet van mijn klas met twee dansende rendieren op de voorkant. De rendieren hebben geweien met rode glitters, dus mijn avond is nu al goed. Het pakje bevat een theebeker waarom ik vroeger mijn juf op de basisschool benijdde: tegen een achtergrond die doet denken aan een kindertekening staat er ‘Voor de liefste juf’.
Even maakt het niet uit dat ik baal van mijn werk. Hoe ontzettend ik me dit collegejaar verder ook ga ergeren, ik drink mooi wel uit een beker met ‘Voor de liefste juf’. En daar doe ik het voor.
Gepost door: mpaalvast op 13-12-2008 om 15:05
Klik hier om de 2 reactie(s) te bekijken.
|
|
11-12-2008 - OUDDORP
We schrijven anno 2007. Als docente Taalbeheersing en Communicatieve Vaardigheden (TCV) verzorg ik onder andere een college Interviewtechnieken. Tijdens de tweede les van de serie bekijk ik samen met een eerstejaarsklas een aflevering van Zomergasten uit 2006. Presentator Joris Luyendijk (bekend van Een goede man slaat soms zijn vrouw en Het zijn net mensen: beide boeken aanraders) en zomergast Ad Verbrugge bespreken een televisiefragment waarin Ton Elias Pim Fortuyn op venijnige wijze ondervraagt.
Na afloop van het fragment stel ik de studenten vragen: waaraan kun je zien dat de interviewer luistert? Stelt de interviewer vooral open of gesloten vragen? Is dit een directief interview? Kun je ook uitleggen waarom? Om het geheel didactisch verantwoord af te sluiten informeer ik ten slotte of iemand nog vragen heeft. Een hand op de achterste rij gaat aarzelend de lucht in: wie is Pim Fortuyn eigenlijk?
Met stomheid geslagen kijk ik de klas aan. Kan iemand misschien uitleggen wie Fortuyn is? Onderling overleg levert wat steekwoorden op: politiek, buitenlanders, Rotterdam, moord. Preciezer uitleggen wat er speelde begin van dit millennium kan niemand. Een snelle inventarisatie van wie buiten de gewraakte eerste hand nog meer niet weet wie Pim Fortuin is, levert een totaal op van vier studenten. Op de tien.
We schrijven een jaar later. Met een frisse, nieuwe lichting eerstejaars HEBO bespreek ik hoe je het beste een titel voor een informatief en licht opiniërend artikel kunt opstellen. Ter inspiratie heb ik een aantal titels uit de Focus, het bedrijfsblad van de HHS, op een sheet gezet. ‘Oudkerk gaat overgewicht te lijf’ kopt de eerste. De titel, die inspeelt op het lectoraat van Rob Oudkerk aan de HHS, is bedoeld om te laten zien dat je met een functionele woordspeling de aandacht van de lezer kunt trekken. Wanneer ik de klas inkijk, ontmoet mijn blik alleen maar vragende gezichten. ‘Waar ligt Oudkerk precies?’
Een herinnering aan het Fortuyndebacle dringt zich onvermijdelijk aan me op. De schade blijkt hier echter nog groter: van de veertien studenten weet er één me te vertellen dat Oudkerk ‘iets met politiek te maken heeft’. Dat hij lector Leefstijlverandering is aan de hogeschool waaraan ze sinds een half jaar studeren, laat ik maar achterwege.
’s Avonds zit ik met een vriendin in de kroeg. Ik doe haar in geuren en kleuren het verhaal uit de doeken en dreig te verzanden in een melancholisch verlangen naar ouderwets onderwijs waarin je alleen maar rijtjes uit je hoofd moest leren. De wereld is toch reddeloos verloren? Gelukkig weet ze mijn sombere toekomstvoorspellingen te relativeren: ‘Dat ze denken dat het een plaats is, is echt niet zo erg. Ouddorp bestaat toch tenslotte ook?’
Gepost door: mpaalvast op 11-12-2008 om 16:47
|
|
16-11-2008 - VOOR NIKKIE
Onlangs is de moeder van een goede vriendin van mij overleden. Snel, onverwacht: soms besluipt de dood je als een roofdier op zoek naar zijn prooi, met een geluidloze, omtrekkende beweging.
Tijdens de rouwdienst die woensdagochtend plaatsvond, spraken verschillende vrienden en collega’s uit wat deze bijzondere persoon voor hen betekende. Het zoeken naar woorden om uit te drukken welke waarde iemand voor je heeft is altijd moeilijk, maar wordt nog eens zoveel zwaarder wanneer iemand overleden is. In korte tijd, terwijl je emotionele systeem volkomen ontregeld is, wil je voor jezelf en voor anderen definiëren wie iemand voor jou was en welke godsonmogelijke, nooit meer op te vullen krater achterblijft.
Moeilijk is vooral de tijd waarin je formuleert. Elke moeizaam vastgestelde omschrijving is een confrontatie met de wereld van de verleden tijd waarnaar iedere overledene onherroepelijk afreist. Geen overgang zo makkelijk en tegelijkertijd zo moeilijk als die van ‘is’ naar ‘was’. Ze is mijn moeder, was mijn beste vriendin. Maar wat gebeurt er met het gevoel dat onder de beschrijving ligt? Het gevoel dat hoort bij het zijn van iemands beste vriendin, iemands partner, iemands dochter? Dat gevoel blijft, dat wordt geen verleden tijd doordat iemand er niet meer is.
In tegenstelling tot bij relaties die zijn afgebroken als takken in een te zware storm, of tot bij vriendschappen die zijn bekoeld tot ijsklontjes van bevroren herinneringen, gaat bij een overlijden houden van niet over. Wanneer je samen bent, bestaat houden van als onzichtbare band tussen mensen, een soort lijm die ze met elkaar verbindt. Wanneer een van de delen wegvalt, lost die lijm niet zomaar op: het gevoel gaat een eigen leven leiden. Dat eigen leven is het stukje van de overledene dat je altijd in de buurt voelt, dat altijd bij je blijft. Daarom wordt houden van geen verleden tijd. Daardoor zal de moeder van mijn vriendin altijd in de buurt blijven, net zoals mijn vader na tweeentwintig jaar nog steeds in de buurt is. Niet iedere dag en niet altijd even voelbaar, maar hij is er wel. En dat is wat telt.
Gepost door: mpaalvast op 16-11-2008 om 12:15
|
|
31-10-2008 - VIA CAPELLO 23
Het staart me aan als een jachttrofee. Ingetogen kleuren, aansprekende foto, een plastic coating zonder luchtbelletjes en een blauwe Sprintermarkering. Ik kijk onopvallend over mijn schouder of iemand me in de gaten heeft en gris het dan met een snelle beweging uit het rek. Via Capello 23 is van mij.
Christiaan Weijts (1976) studeerde rond dezelfde tijd als ik Nederlandse Taal- en Letterkunde in Leiden. Niet dat ik hem ooit bewust gesproken heb: daarvoor had hij te veel een aura van grootsheid en belangrijkheid om zich heen hangen. Zo iemand die Nederlands studeert en er dan ook echt verstand van lijkt te hebben, terwijl ik – ook nu nog – altijd het gevoel heb dat er ieder moment iemand uit de bosjes kan springen die schreeuwt ‘Ik heb je door!’ Samen met nog wat hooggeleerde schrijvers in spe – waaronder de vriend van een goede vriendin van mij: sorry, Thomas – vormde Christiaan een onaantastbare literaire elite, waar wij gewone stervelingen met een niet zo literair boogje omheen liepen.
Toen zijn eerste boek, Art. 285b, een aantal jaren geleden verscheen, is mij dat totaal ontgaan. Druk met triviale zaken als afstuderen en een baan zoeken, hield ik me niet bezig met de leefwereld van een paar omhooggevallen oud-studiegenoten. Ook toen Christiaan wat later de Anton Wachterprijs ontving voor zijn debuutroman, heb ik het boek links laten liggen. Schrijvers zijn goden, geen medestudenten.
Iets aan Via Capello 23 heeft echter mijn interesse gewekt. Achteraf kan ik niet meer zeggen wat het precies was - een mooie vormgeving doet wonderen, evenals een bekende naam. Ik weet wel wat mijn aandacht heeft vastgehouden: de intrigerende synopsis op de achterkant: ‘Venetië aan het begin van het derde millennium. Acqua alta, de vloedgolven die de kaden steeds vaker blank leggen, is niet de enige bedreiging voor de lagunestad. Toerisme heeft de sprookjesachtige stad veranderd in een pretpark. De oorspronkelijke bewoners trekken weg en de gondeliers gaan geregeld in staking.’
Christiaan weet vanaf de eerste pagina de aandacht van de lezer te vangen, ook als dat een onwillige lezer is. Zijn stijl is eerlijk, echt. Hij vangt herkenbare, maar moeilijk in woorden uit te drukken emoties in glasheldere taal, alsof je door een pas gewassen ruit kijkt. ‘Meer in het algemeen lijken ervaringen zonder de aanwezigheid van een vriendin minder officieel te zijn. Ze staan tussen haakjes. Daar staat tegenover dat je bevrijd bent van de onmiskenbaar zware druk die een relatie op je legt om er tijdens dit soort tripjes iets van te maken.’ Hij formuleert scherp en geestig en tovert met metaforen alsof hij recepten uit een magisch kookboek gebruikt. ‘Maskers dragen ze niet meer. Wel rukken de iPods op in het straatbeeld, onder de jongeren. Je ziet hun witte snoertjes al van veraf oplichten tussen oren en broekzak, alsof ze, zelfs hier, aan een permanent infuus hangen van buitenwereldwerend geluid.’
Het is alweer enige tijd geleden dat een boek me zo aangenaam verrast heeft. Ik ben nog niet op de helft en ik heb al negen ezelsoren gemaakt – een teken dat ik geraakt ben door opvallend mooi taalgebruik. Verder vanaf pagina 128. ‘Ook de trein zit stampvol. Fay en Citroen delen, op haar initiatief, één klapstoeltje in het balkongedeelte. Hij voelt het zachte vlees van haar bil of bovenbeen warm tegen zich aandrukken…’
Christiaan Weijts: Via Capello 23. Verschenen bij De Arbeiderspers, 2008.
Gepost door: mpaalvast op 31-10-2008 om 09:14
Klik hier om de 1 reactie(s) te bekijken.
|
|
|